Het boek over stedenbouwkundige Jakoba Mulder (1900-1988) vordert gestaag. In het kader van internationale vrouwendag ook dit jaar weer een citaat. In de roerige tijden waarin jonge feministische professionele vrouwen hun positie gingen opeisen, stelde Mulder bij haar pensionering in 1965 in de Volkskrant: “Ik geloof niet, dat een vrouw op deze plaats in een uitzonderingspositie verkeert. Het is een beroep, dat even goed door mannen als door vrouwen kan worden beoefend. Misschien vullen man en vrouw elkaar in dit opzicht op bijzondere wijze aan. Een voorbeeld? Ik kwam op een goed moment op het idee van de openbare speelplaatsen. Ik heb er verder niets aan gedaan, hoor. Aldo van Eijck heeft de ideeën voortreffelijk uitgewerkt. Maar ik geloof, dat een man niet zo snel op dat idee gekomen zou zijn”.
Mulder drukte zich zoals gewoonlijk zeer bescheiden uit. De speelplaatsen van Aldo van Eyck (1918-1999) worden alom geroemd, maar waren zonder haar interventie waarschijnlijk nooit tot stand gekomen. Het positioneren van vrouwen in relatie tot de architectuurgeschiedenis blijkt een continue zoektocht met als fundamentele vraag: hoe wordt – in optima forma – recht gedaan aan de verschillende rollen en bijdragen van vrouwen? Tegelijkertijd zijn er nog altijd alternatieve criteria en concepten nodig om het werk van vrouwen op hun eigen merites – en dus los van het door mannen bepaalde normatieve systeem – te kunnen beoordelen en beschrijven. Deze zoektocht gaat gepaard met vragen over welke waarden vrouwen inbrengen en hoe we als gevolg daarvan het aandeel van vrouwen in de samenwerking met anderen moeten duiden.
Mulder bij haar afscheid in 1965. Foto: Nationaal Archief
Het boek over stedenbouwkundige Jakoba Mulder (1900-1988) vordert gestaag. In het kader van internationale vrouwendag ook dit jaar weer een citaat. In de roerige tijden waarin jonge feministische professionele vrouwen hun positie gingen opeisen, stelde Mulder bij haar pensionering in 1965 in de Volkskrant: “Ik geloof niet, dat een vrouw op deze plaats in een uitzonderingspositie verkeert. Het is een beroep, dat even goed door mannen als door vrouwen kan worden beoefend. Misschien vullen man en vrouw elkaar in dit opzicht op bijzondere wijze aan. Een voorbeeld? Ik kwam op een goed moment op het idee van de openbare speelplaatsen. Ik heb er verder niets aan gedaan, hoor. Aldo van Eijck heeft de ideeën voortreffelijk uitgewerkt. Maar ik geloof, dat een man niet zo snel op dat idee gekomen zou zijn”.
Mulder drukte zich zoals gewoonlijk zeer bescheiden uit. De speelplaatsen van Aldo van Eyck (1918-1999) worden alom geroemd, maar waren zonder haar interventie waarschijnlijk nooit tot stand gekomen. Het positioneren van vrouwen in relatie tot de architectuurgeschiedenis blijkt een continue zoektocht met als fundamentele vraag: hoe wordt – in optima forma – recht gedaan aan de verschillende rollen en bijdragen van vrouwen? Tegelijkertijd zijn er nog altijd alternatieve criteria en concepten nodig om het werk van vrouwen op hun eigen merites – en dus los van het door mannen bepaalde normatieve systeem – te kunnen beoordelen en beschrijven. Deze zoektocht gaat gepaard met vragen over welke waarden vrouwen inbrengen en hoe we als gevolg daarvan het aandeel van vrouwen in de samenwerking met anderen moeten duiden.